Er bestaan verschillende soorten anesthesie, verdoving.
Bij een algemene anesthesie worden de geneesmiddelen intraveneus en/of via ademhaling toegediend, waarna de patiënt het bewustzijn tijdelijk verliest. Ondertussen houdt men de patiënt permanent onder toezicht en voert men een kunstmatige, mechanische en/of farmacologische controle uit om bepaalde functies op te volgen: ademhaling, hemodynamiek en spiertonus. Op het einde van een ingreep kan men het algemene effect van dergelijke geneesmiddelen tegengaan en kunnen er moleculen toegediend worden die de patiënt doen ontwaken en de nevenwerkingen verminderen.
Bij een lokale anesthesie verdooft men een welbepaalde zone die met één of meerdere zenuwen in verbinding staat. De patiënt blijft dus bij bewustzijn. We kunnen hier een onderscheid maken tussen een axiale anesthesie (onderlichaam) en een perifere anesthesie (een arm of een been, of een deel ervan).
Een lokale anesthesie verkrijgt men door het geneesmiddel in de weefsels in te spuiten of door een verdovingsgel of een verdovingscreme aan te brengen.